Морган Райс "Opstandeling, Pion, Koning "

Morgan Rice komt met wat wederom een briljante serie belooft te zijn, en sleurt ons mee in een fantasy over heldhaftigheid, eer, moed, magie en vertrouwen in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten voor wie we op elke pagina willen juichen… Aanbevolen voor de permanente collectie van alle lezers die houden van een goedgeschreven fantasy. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over Opkomst van de Draken) OPSTANDELING, PION, KONING is boek #4 in Morgan Rice’ bestverkopende epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE, die begint met SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (Boek #1) . De 17-jarige Ceres, een beeldschoon, arm meisje uit de stad Delos, ontwaakt in gevangenschap. Haar leger is verwoest, haar mensen zijn gevangen genomen, en het verzet is in de kiem gesmoord. Op de één of andere manier moet ze het verraad achter zich laten en verder gaan. Zal haar volk ooit zegevieren?Denkend dat Ceres nog leeft, zeilt Thanos naar het Eiland der Gevangenen. Maar daar wacht hem een onaangename verrassing. Tijdens zijn gevaarlijke reis wordt hij gekweld door de gedachte aan Stephania en hun kind, en hij voelt zich verscheurd. Maar terwijl hij worstelt om naar Delos terug te keren en zijn liefdes te vinden, wordt hij wederom geconfronteerd met verraad. Dit keer zo erg dat zijn leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Stephania is gekwetst, maar ze laat zich niet in een hoekje duwen. Ze richt de kracht van haar woede op degenen van wie ze het meest houdt – en haar verraad, het meest gevaarlijk van allemaal, zou wel eens hetgeen kunnen zijn dat het Rijk voorgoed omver zal werpen. OPSTANDELING, PION, KONING is een episch verhaal over een tragische liefde, wraak, verraad, ambitie en lotsbestemming. Onvergetelijke personages en bloedstollende actie sleuren ons mee in een wereld die ons altijd bij zal blijven, en onze liefde voor fantasy nieuw leven in blaast. Een fantasy vol actie die de fans van Morgan Rice' eerdere nobels zeker zal bekoren, evenals fans van werken als The Inheritance Cycle door Christopher Paolini.. Fans van Young Adult Fictie zullen dit nieuwste werk van Rice verslinden en smeken om meer. The Wanderer, A Literary Journal (over Opkomst van de Draken) Boek #5 in OVER KRONEN EN GLORIE is binnenkort verkrijgbaar!

date_range Год издания :

foundation Издательство :Lukeman Literary Management Ltd

person Автор :

workspaces ISBN :9781640291409

child_care Возрастное ограничение : 16

update Дата обновления : 14.06.2023

Thanos had die naam eerder gehoord. Het was een naam die de kinderen waar hij mee was opgegroeid gebruikt hadden om elkaar bang te maken. De naam van een edelman die had gemoord en gemoord tot zelfs het Rijk had besloten dat hij te gevaarlijk was om vrij rond te lopen. Ze hadden verhalen verzonnen over die dingen die hij deed met de mensen die hij gevangennam. Thanos hoopte in elk geval dat de verhalen verzonnen waren.

“Ga je me nu vermoorden?”

Thanos probeerde uitdagend te klinken, ondanks het feit dat hij geen wapens had.

“Oh nee, mijn prins, we zijn iets heel anders met je van plan. Je gezelschap daarentegen…”

Thanos zag dat Herek probeerde op te staan, maar hij was niet snel genoeg. De leider deed een stap naar voren en deelde zijn eerste messteek uit met een levendige efficiГ«ntie. Het mes gleed in de andere man en eruit, erin en eruit. Hij hield Herek overeind, alsof hij wilde voorkomen dat hij stierf voor hij klaar was.

Uiteindelijk liet hij het levenloze lichaam van de gevangene los. Toen hij zich weer naar Thanos omdraaide, was er bijna niets menselijks in zijn gezicht te zien.

“Hoe voelt het nu, Prins Thanos,” vroeg hij, “om een gevangene te zijn?”

HOOFDSTUK ZES

Lucious was van de geur van brandende huizen gaan houden. Er was iets rustgevends aan, maar ook iets dat hem opwond bij het vooruitzicht van alles dat ging komen.

“Wacht ze op,” zei hij vanaf zijn plek op een groot strijdros.

Om hen heen spreidden zijn mannen zich uit om de huizen te omsingelen. Het waren nauwelijks huizen eigenlijk, niets meer dan krotten die zo armzalig waren dat het niet eens de moeite waard was om ze te plunderen. Misschien zouden ze later nog eens door het as ziften.

Maar nu was het tijd voor plezier.

Lucious zag beweging uit zijn ooghoeken toen de eerste mensen schreeuwend hun huizen uitrenden. Hij wees met zijn gehandschoende hand, en het zonlicht weerspiegelde op zijn gouden wapenrusting.

“Daar!”

Hij spoorde zijn paard al steigerend aan tot een galop, hief een speer en wierp hem naar één van de rennende figuren. Naast hem haalden zijn mannen de mannen en vrouwen in, hakkend en moordend. Hier en daar lieten ze er één leven, als ze dachten dat het de opbrengst op de slavenmarkt waard zou zijn.

Het afbranden van een dorp was, zo had Lucious ondervonden, een vorm van kunst. Het was belangrijk om niet blindelings het dorp te bestormen en alles maar in brand te steken. Dat was wat amateurs deden. Als je onvoorbereid naar binnen stormde, dan sloegen mensen op de vlucht. Als je huizen in de verkeerde volgorde verbrandde, dan bestond de kans dat er waardevolle spullen werden achtergelaten. Als je te veel ontsnappingsroutes openliet, dan waren de rijen met slaven waren korter dan ze moesten zijn.

Het belangrijkste was een goede voorbereiding. Hij had zijn mannen zich in een cordon voor het dorp laten opstellen, waarna hij in zijn oh zo opvallende wapenrusting naar binnen was gereden. Een aantal van de boeren waren gevlucht toen ze hem zagen, en Lucious had daarvan genoten. Het voelde goed om gevreesd te zijn. Het was ook terecht.

Nu waren ze bij de volgende fase, waar ze een aantal van de minst waardevolle huizen verbrandden. Van bovenaf, natuurlijk, door fakkels op het rieten dak te gooien. Mensen konden niet vluchten als je hun schuilplaatsen vanaf de grond in brand stak, en als ze niet vluchtten was er geen entertainment.

Later zou er tijd zijn voor een traditionele plundering, gevolgd door het martelen van degenen die vermoedelijk met de rebellen sympathiseerden, of zij die misschien kostbaarheden verborgen hielden. En daarna de executies, natuurlijk. Lucious glimlachte bij de gedachte. Normaal gesproken gebruikte hij ze alleen om een voorbeeld te geven. Maar vandaag zou zijn aanpak wat… grondiger zijn.

Hij betrapte zichzelf erop dat hij aan Stephania dacht terwijl hij door het dorp reed en zijn zwaard trok om links en rechts te hakken. Normaal gesproken zou hij niet zo goed hebben gereageerd op iemand die hem op die manier afwees. Als één van de jonge vrouwen in dit dorp het had gedaan, zou Lucious hen waarschijnlijk levend gevild hebben in plaats van hen naar de slavenkuilen te sturen.

Maar Stephania was anders. Het was niet alleen dat ze mooi en elegant was. Toen hij nog had gedacht dat dat alles was, had hij het idee om haar te laten knielen als een verheven huisdier gewoon vermakelijk gevonden.

Nu bleek dat ze meer om het lijf had, merkte Lucious dat zijn gevoelens veranderden. Ze was niet alleen het perfecte ornament voor een toekomstige koning; ze was iemand die begreep hoe de wereld in elkaar zat, en die bereid was om plannen te smeden om te krijgen wat ze wilde.

Dat was één van de redenen dat Lucious had besloten haar te laten gaan; hij genoot te veel van het spelletje tussen hen. Hij had haar in het nauw gedreven, en ze was bereid geweest om hem met zich mee naar beneden te sleuren. Hij vroeg zich af wat haar volgende zet zou zijn.

Hij werd uit zijn gedachten opgeschrikt door de aanblik van twee van zijn mannen die een gezin het mes op de keel hadden gezet: een dikke man, een oudere vrouw, en drie kinderen.

“Waarom ademen ze nog?” vroeg Lucious.

“Uwe hoogheid,” smeekte de man, “alstublieft. Mijn gezinsleden zijn altijd de meest trouwe onderdanen van uw vader geweest. We hebben niets te maken met de rebellen.”

“Dus je zegt dat ik het bij het verkeerde eind heb?” vroeg Lucious.

“We zijn trouw, uwe hoogheid. Alstublieft.”

Lucious hield zijn hoofd schuin. “Goed dan, omdat je zo trouw bent, zal ik ruimhartig zijn. Ik laat één van je kinderen leven. Ik laat jou zelfs kiezen welke. Sterker nog, ik beveel het je.”

“M-maar… we kunnen niet tussen onze kinderen kiezen,” zei de man.

Lucious wendde zich tot zijn mannen. “Zie je? Zelfs als ik bevelen geef gehoorzamen ze niet. Maak ze allemaal af, en verspil mijn tijd niet meer met dergelijke gevallen. Iedereen in dit dorp wordt gedood of tot slaaf gemaakt. Ik zeg het niet nog een keer.”

Hij reed weg, in de richting van meer brandende gebouwen, terwijl het geschreeuw achter hem oprees. Het was echt een mooie ochtend.

HOOFDSTUK ZEVEN

“Werk sneller, luie welpen!” riep de wachter, en Sartes kromp ineen bij de stekende pijn van de zweep die over zijn rug ging. Als hij had gekund, was hij het gevecht met de wachter aangegaan. Maar zonder wapen was het zelfmoord.

In plaats van een wapen had hij alleen een emmer. Hij was vastgeketend aan een andere gevangene, en er werd van hem verwacht dat hij de teer verzamelde en in grote vaten goot, zodat het gebruikt kon worden om boten en daken mee af te werken, om de gladste stenen mee op te vullen en muren waterdicht mee te maken. Het was hard werken, en het feit dat hij aan iemand anders was vastgeketend maakte het alleen maar lastiger.

De jongen waar ze hem aan hadden vastgeketend was niet veel groter dan Sartes en zag er nog veel dunner uit. Sartes wist nog niet hoe hij heette, want de wachters straften iedereen die teveel praatte. Ze waren waarschijnlijk bang dat ze een opstand aan het plotten waren, dacht Sartes. En kijkend naar een aantal van de mannen om hen heen, was dat misschien ook wel zo.

De teerputten waren de plek waar de slechtste mensen in Delos heen werden gestuurd, en dat was te zien. Er werd gevochten om eten, en over wie het sterkst was, hoewel niemand dat lang volhield. Als de wachters toekeken, hielden de mannen hun hoofden gebogen. Degenen die dat niet deden werden al snel geslagen of in de teer gegooid.

De jongen die aan Sartes was vastgeketend leek niet op de rest. Hij was broodmager en spichtig, en zag eruit alsof hij zou kunnen breken onder de inspanning van het werk. Zijn huid was smerig en bedekt met brandwonden van waar de teer hem had geraakt.

Er dreef een pluim van gas uit de kuil. Sartes slaagde erin zijn adem in te houden, maar zijn compagnon had niet zoveel geluk. Hij begon te hoesten en te proesten, en Sartes voelde het geruk aan de ketting terwijl hij hem zag struikelen. Hij begon te vallen.

Sartes hoefde niet na te denken. Hij liet zijn emmer vallen, dook naar voren en hoopte dat hij snel genoeg zou zijn. Hij voelde zijn vingers rond de arm van de jongen sluiten, zo dun dat Sartes vingers er helemaal omheen pasten, als een tweede boei.

De jongen tuimelde richting de teer en Sartes trok hem terug naar boven. Sartes kon de hitte voelen, en deinsde bijna terug toen hij zijn huid voelde branden. Maar hij bleef de jongen stevig vasthouden en liet hem niet los tot hij weer in veiligheid was.

De jongen hoestte en sputterde, maar leek te worstelen met zijn woorden.

“Het is goed,” verzekerde Sartes hem. “Je bent in orde. Stil maar.”

“Dank je,” zei hij. “Help… me… omhoog. De wachters—”

“Wat is hier aan de hand?” bulderde een wachter. Hij zette zijn woorden kracht bij met een zweepslag, die zorgde dat Sartes het uitschreeuwde. “Wat zijn jullie hier aan het luieren?”

“Het waren de dampen, heer,” zei Sartes. “Hij werd er even door overvallen.”

Dat leverde hem nog een zweepslag op. Sartes wilde dat hij een wapen had. Iets dat hij kon gebruiken om terug te vechten. Maar hij had alleen maar zijn emmer hier, en bovendien waren er veel te veel wachters. Natuurlijk zou Ceres wel een manier hebben gevonden om hen allemaal te verslaan met een emmer, en die gedachte deed hem glimlachen.

“Je spreekt pas als ik daar toestemming voor geef,” zei de soldaat. Hij gaf de jongen die Sartes had gered een trap. “Omhoog, jij. Als je niet kan werken hebben we niets aan je. Als we niets aan je hebben, kun je de teer in zoals de rest.”

“Hij kan staan,” zei Sartes, en hij hielp de andere jongen snel omhoog. “Kijk, hij is in orde. Het waren alleen de dampen.”

Deze keer vond hij het niet erg dat de soldaat hem sloeg, want dat betekende dat hij de andere jongen in ieder geval met rust liet.

“Terug aan het werk dan, allebei. Jullie hebben al genoeg tijd verspild.”

Ze gingen weer verder met het verzamelen van teer. Sartes deed zijn best om zoveel als hij kon te verzamelen, want de andere jongen was duidelijk niet sterk genoeg om veel te kunnen doen.

“Ik ben Sartes,” fluisterde hij terwijl hij de wachters in de gaten hield.

“Bryant,” fluisterde de andere jongen terug, al zag hij er nerveus uit. Sartes hoorde hem weer hoesten. “Dank je, je hebt mijn leven gered. Als ik die schuld ooit kan vereffenen, dan doe ik dat.”

Hij zweeg toen de wachters weer voorbijliepen.

“De dampen zijn slecht,” zei Sartes, deels ook om hem aan het praten te houden.

“Ze vreten je longen op,” antwoordde Bryant. “Er zijn zelfs wachters die eraan dood gaan.”

Hij zei het alsof het normaal was, maar Sartes vond het allesbehalve normaal.

Sartes bekeek de andere jongen. “Jij ziet er niet echt uit als een crimineel.”

Hij zag de blik van pijn in de ogen van de jongen. “Mijn familie… Prins Lucious kwam naar onze boerderij en stak hem in brand. Hij heeft mijn ouders vermoord. Hij heeft mijn zus meegenomen. Hij heeft mij hier zonder reden heen gestuurd.”

Het was een bekend verhaal voor Sartes. Lucious was kwaadaardig. Hij greep elke kans aan om ellende te creГ«ren. Hij scheurde gezinnen uit elkaar omdat hij dat kon.

“Waarom zoek je geen rechtvaardigheid?” suggereerde Sartes. Hij bleef teer uit de put scheppen om te zorgen dat de wachters niet in de buurt zouden komen.

De andere jongen keek hem aan alsof hij gestoord was. “Hoe zou ik dat moeten doen? Ik ben maar in mijn eentje.”

“Het verzet is veel meer dan één persoon,” merkte Sartes op.

“Alsof het hen iets kan schelen wat er met mij zal gebeuren,” antwoordde Bryant. “Ze weten niet eens dat we hier zijn.”

“Dan moeten we naar ze toe gaan,” fluisterde Sartes terug.

Sartes zag paniek in de ogen van de jongen.

“Dat kan niet. Als je zelfs maar over ontsnappen praat, hangen de wachters ons boven de teer en laten ze ons stukje bij beetje zakken. Ik heb het gezien. Ze zullen ons doden.”

“En wat zal er gebeuren als we hier blijven?” wilde Sartes weten. “Als je vandaag aan één van de anderen was vastgeketend, wat denk je dat er dan gebeurt zou zijn?”

Bryant schudde zijn hoofd. “Maar er zijn teerputten, en wachters, en ik weet zeker dat er valstrikken zijn. De andere gevangenen zullen ook niet helpen.”

“Maar je denkt er nu wel over na, of niet?” zei Sartes. “Ja, er zitten risico’s aan verbonden, maar die zijn beter dan zeker weten dat je doodgaat.”

“Hoe zouden we het voor elkaar moeten krijgen?” vroeg Bryant. “Ze houden ons ’s nachts in de kooien, en we zijn de hele dag aan elkaar vastgeketend.”

Daar had Sartes in elk geval een antwoord op. “Dan ontsnappen we samen. We wachten op het juiste moment. Vertrouw me, ik weet het één en ander over slechte situaties ontvluchten.”

Hij zei niet dat dit lastiger zou zijn dan alles waar hij ooit mee te maken had gehad, en hij liet zijn nieuwe vriend niet weten hoe slecht hun kansen waren. Hij wilde Bryant niet nog banger maken dan hij al was, maar ze moesten wel weg.

Als ze hier nog langer bleven, wist hij, zouden ze het niet overleven.

HOOFDSTUK ACHT

Thanos voelde zich gespannen als een dier dat op het punt stond te vluchten terwijl hij tussen het trio gevangenen richting de vesting van het eiland liep. Hij betrapte zichzelf erop dat hij bij elke stap zocht naar een ontsnappingsroute. Maar op het open terrein, met de bogen van zijn gijzelnemers gespannen, vond hij er geen.

“Wel zo verstandig,” zei Elsius achter hem. “Ik wil niet beweren dat je beter af bent als je doet wat we zeggen, maar je zult langer leven. Je kunt op dit eiland nergens heen behalve naar de Verlatenen, en als je dat probeert jaag ik je op.”

“Misschien moet ik het dan maar snel doen,” zei Thanos. Hij probeerde zijn verrassing over het feit dat de andere man zijn intenties had doorzien te verhullen. “Een pijl in de rug kan zo erg niet zijn.”

“Niet erger dan een zwaard,” zei Elsius. “Oh ja, zelfs hier hebben we erover gehoord. De cipiers brengen ons nieuws wanneer ze ons nieuwelingen brengen. Maar geloof me, als ik je opjaag zal je geen snelle dood te wachten staan. Doorlopen nu, gevangene.”

Thanos deed wat hij zei, maar hij wist dat hij niet in de vesting terecht kon komen. Als dat gebeurde zou hij nooit meer daglicht zien. De beste tijd om te ontsnappen was altijd vroeg, als je de kracht er nog voor had. Dus bleef Thanos om zich heen kijken. Hij trachtte het terrein te beoordelen, zijn moment in te schatten.

“Het zal niet werken,” zei Elsius. “Ik weet hoe mannen in elkaar zitten. Ik weet wat ze zullen doen. Het is ongelofelijk wat je over mensen kunt leren terwijl je ze in stukken snijdt. Ik denk dat je dan echt in hun ziel kunt kijken.”

“Weet je wat ik denk?” vroeg Thanos.

“Vertel het eens. Ik weet zeker dat je belediging mijn dag zal maken. En de jouwe zal verpesten.”

“Ik denk dat je een lafaard bent,” zei Thanos. “Ik heb over je misdaden gehoord. Je hebt een paar mensen vermoord die niet in staat waren om terug te vechten. Je hebt een tijdje een bende boeven geleid die voor je vochten. Je bent zielig.”

Thanos hoorde gelach achter zich.

“Oh, is dat alles?” zei Elsius. “Ik voel me beledigd. Wat probeerde je te doen, me dichterbij lokken zodat je kon aanvallen? Denk je nu echt dat ik zo dom ben? Jullie twee, hou hem vast. Prins Thanos, als je beweegt, krijg je een pijl op een zeer pijnlijke plek.”

Thanos voelde de handen van de twee cipiers zich rond zijn armen sluiten en hem stevig op zijn plek houden. Het waren sterke mannen, duidelijk gewend aan de omgang met opstandige gevangenen. Thanos voelde hoe hij werd omgedraaid, en toen stond hij oog in oog met Elsius. Die hield zijn boog perfect recht, klaar om te vuren.

Precies zoals Thanos had gehoopt.

Thanos verzette zich tegen de cipiers die hem vasthielden, en hij hoorde Elsius lachen.

“Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.”

Hij hoorde de twang van de boogpees, maar in tegenstelling tot wat ze dachten probeerde Thanos niet om los te breken. Hij draaide om zijn as en sleurde één van de wachters in de baan van de pijl. Hij voelde de schok door het lichaam van de man gaan terwijl er een pijlpunt door zijn borst naar buiten kwam.

Thanos voelde de greep van de man verslappen toen de cipier naar de pijl graaide, en hij aarzelde geen seconde. Hij beukte tegen de andere cipier aan, griste een mes van zijn riem en duwde hem tegen Elsius aan. Ze raakten verstrikt in elkaars wapens, en hij greep de boog van de stervende wachter, en zoveel mogelijk pijlen.

Thanos rende zigzaggend over gebroken rotsen richting de dichtstbijzijnde schuilplaats. Het feit dat hij richting de bomen rende in plaats van richting zijn boot redde nu waarschijnlijk zijn leven.

Похожие книги


grade 4,4
group 16140

grade 4,4
group 7800

grade 4,5
group 400

grade 4,5
group 16770

grade 4,5
group 6620

grade 3,9
group 2100

grade 3,3
group 50

grade 4,1
group 60

Все книги на сайте предоставены для ознакомления и защищены авторским правом